Sommige onderdelen horen op een lager niveau dan waar je mogelijk al zit bekend te zijn (b.v. onregelmatige werkwoorden). Oefen dus gerust op lagere niveaus met onderwerpen waar je moeite mee hebt.
Als een oefening voor jouw niveau niet beschikbaar is, oefen dan op het dichtst bijzijnde lagere niveau (b.v. B1 i.p.v. B1+).
Kies uit de beschikbare onderwerpen:

 

ONDERWERPMANIER VAN OEFENENBESCHIKBAAR VANAF NIVEAUTHEORIE
Articles (Lidwoorden)Kies het juiste lidwoord (a/an)A1 (72 oefeningen)Bekijk theorie
Cardinal Numbers (Hoofdtelwoorden)Typ het Engelse getal (in letters) van het gegeven cijferA1 (36 oefeningen)Bekijk theorie
Days of the Week (Dagen van de Week)Geef de juiste dag van de weekA1 (18 oefeningen)Bekijk theorie
Reading the Clock (Klokkijken)Typ de juiste tijd in bij de klokA1 (50 oefeningen)Bekijk theorie

 

Terug naar het Hoofdmenu

GRAMMATICA THEORIE

Hieronder staat alle grammatica theorie van klas 1 t/m 6 Atheneum. Per onderdeel staat de theorie gerangschikt op niveau, zodat je altijd kunt zien wat je zou moeten weten.
Kies uit de beschikbare onderwerpen:

 

SUBJECT        ONDERWERP
-ed vs -ing *        -ed en -ing *
Adjectives and Adverbs        Bijvoeglijk Naamwoorden en Bijwoorden
Animals        Dieren
Apostrophe *        Apostrof *
Articles        Lidwoorden
Auxiliaries        Hulpwerkwoorden
C vs S        C en S
Cardinal Numbers        Hoofdtelwoorden
Causatives *        Causatieven *
Comparisons        Trappen van Vergelijking
Concord *        Congruentie *
Concurrence *        Overeenstemming *
Conditional Sentences        Voorwaardelijke Zinnen
Confusing Words        Verwarrende Woorden
Conjunctions *        Voegwoorden *
Countries and Nationalities        Landen en Nationaliteiten
Days of the Week        Dagen van de Week
Demonstrative Pronouns        Aanwijzend Voornaamwoorden
ei vs ie        ei en ie
Ellipsis *        Weglating *
Future        Toekomende Tijd
Gerund vs Infinitive *        Verbaal Substantief vs Infinitief *
Have Done *        Laten Doen *
Imperative *        Gebiedende Wijs *
Indirect Questions *        Indirecte Vragen *
Intensifiers *        Versterkers *
Inversion *        Inversie *
Irregular Verbs        Onregelmatige Werkwoorden
Months of the Year *        Maanden van het Jaar *
Negative Sentences        Ontkennende zinnen
Negative Sentences with To Be        Ontkenningen met het Werkwoord Zijn
Nouns of Assemblage        Verzamelwoorden
Of vs Off        Of en Off
Ordinal Numbers        Rangtelwoorden
Participle Clauses *        Bijzinnen met Deelwoorden *
Passive        Lijdende Vorm
Past Continuous        Duurvorm in the Verleden Tijd
Past Perfect        Voltooid Verleden Tijd
Past Perfect Continuous *        Duurvorm in de Voltooid Verleden Tijd *
Past Simple        Onvoltooid Verleden Tijd
People and You *        Men *
Phrasal Verbs        Combinatiewerkwoorden
Plurals        Meervouden
Possessive Pronouns        Bezittelijk Voornaamwoorden
Prefixes *        Voorvoegsels *
Prepositions        Voorzetsels
Present Continuous        Duurvorm in de Tegenwoordige Tijd
Present Perfect        Voltooid Tegenwoordige Tijd
Present Perfect Continuous *        Duurvorm in de Voltooid Tegenwoordige Tijd *
Present Simple        Onvoltooid Tegenwoordige Tijd
Present Simple, Past Simple, Present Perfect        OTT,OVT,VTT
Proverbs        Gezegden
Quantifiers        Woorden die Hoeveelheden Aangeven
Quantity Nouns        Zelfstandig Naamwoorden die Hoeveelheid Aangeven
Question Sentences        Vraagzinnen
Question Tags        Aangeplakte Vragen
Question Words *        Vragend Voornaamwoorden *
Questions with To Be and Have Got        Vragen met Hebben en Zijn
Reading the Clock        Klokkijken
Reflexive Pronouns        Wederkerende Voornaamwoorden
Relative Clauses        Betrekkelijke Bijzinnen
Reported Speech        Indirecte Rede
Sentence Order *        Zinsvolgorde *
Subject vs Object Pronouns        Persoonlijk Voornaamwoorden
Subjunctive *        Aanvoegende Wijs *
Suffixes *        Achtervoegsels *
Than vs Then        Than en Then
There vs There Are *        Er en Er Zijn *
To be        Werkwoord Zijn in de Tegenwoordige en Verleden Tijd
To be        Werkwoord Zijn in de Tegenwoordige Tijd
To have        Werkwoord Hebben in de Tegenwoordige en Verleden Tijd
To have        Werkwoord Hebben in de Tegenwoordige Tijd
To vs Too        To en Too
Used To *        Vroeger, maar Nu niet Meer *
Very        Overgebruik van Very
* (nog) geen oefeningen, alleen theorie

 

Terug naar het Hoofdmenu